Privacy en Cookies

Voor een volledige werking plaatst deze website cookies op uw computer. Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics. Deze informatie helpt ons bij het verbeteren van onze website. De cookies bevatten anonieme informatie en blijven maximaal 2 jaar in uw browser aanwezig.

Naar de inhoud U bevindt zich hier:

Normalisering rechtspositie ambtenaren

Normalisering rechtspositie ambtenaren en de implementatie van de Wnra 

Op 8 november 2016 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het initiatiefwetsvoorstel normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra). De wet treedt naar verwachting op 1 januari 2020 in werking. Met deze wet wordt de principiële keuze gemaakt om de afzonderlijke rechtspositie voor de meeste ambtenaren af te schaffen. Het private arbeidsrecht voor werknemers in de markt wordt óók van toepassing op ambtenaren (ambtenaren van politie, defensie en rechterlijke macht zijn hiervan uitgezonderd).

Waarom normaliseren?

In de visie van de indieners van het wetsvoorstel (D66 en CDA) vormt de Wnra het sluitstuk van een proces dat in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw in gang is gezet. De arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden bij de over­heid worden sindsdien gemodelleerd naar die in de marktsector. Wetgeving op het gebied van medezeggenschap, arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid zijn waar mogelijk ook van toepassing geworden op ambtenaren. De indieners zien geen redenen meer om het grootste deel van de nog bestaande bijzondere rechtspositie van ambtenaren te behouden.

Tijdpad van implementatie en omvang operatie

In zijn brief van 20 januari 2017 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Tweede Kamer over het tijdpad van implementatie van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren geïnformeerd. Het traject tot implementatie van de wet is een omvangrijke operatie die enkele jaren duurt. Zo moet er veel invoerings- en aanpassingswetgeving tot stand worden gebracht voordat de wet in werking kan treden. Daarnaast moeten overheidswerkgevers veel implementatieactiviteiten verrichten. Om een beeld te geven van de omvang van deze operatie, worden hieronder de belangrijkste werkzaamheden opgesomd:

  • circa 100 wetten in formele zin moeten worden aangepast;
  • veel lagere regelgeving (algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen) moet worden aangepast;
  • afstemming en coördinatie met betrekking tot de aan te passen regelgeving. Het betreft namelijk regelgeving van (bijna) alle departementen;
  • afsluiten van de eerste privaatrechtelijke cao’s door overheidswerkgevers(verenigingen) en vakbonden;
  • voorbereidende werkzaamheden zoals het eventueel oprichten van een werkgeversvereniging, het aanpassen van statuten en van de huidige overlegprotocollen;
  • aanpassen van administratieve processen en ICT-systemen bij overheidswerkgevers;
  • scholing van personeelsmedewerkers en leidinggevenden in het private arbeidsrecht;
  • communicatie en voorlichting aan personeel;
  • opstellen (model)arbeidsovereenkomst voor nieuw personeel en eventueel voor zittend personeel.

Gevolgen normalisering

De (eenzijdige) publiekrechtelijke aanstelling van ambtenaren wordt vervangen door de (tweezijdige) privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst, waarop het Burgerlijk Wetboek van toepassing wordt. De rechtsbescherming van ambtenaren zal niet meer door het publiekrecht, maar door het privaatrecht worden gereguleerd. Dat betekent dat het private ontslagstelsel van toepassing wordt; waaronder de preventieve ontslagtoets door UWV of kantonrechter. In plaats van bezwaar bij de eigen werkgever en beroep bij de bestuursrechter, komt de gang naar de kantonrechter. De wijze van totstandkoming van collectieve arbeidsvoorwaarden verandert. Het overeenstemmings- of meerderheidsvereiste uit het ambtenarenrecht komt te vervallen. Dit vereiste houdt in dat een akkoord met een meerderheid van de vakcentrales moet worden gesloten om arbeidsvoorwaardelijke rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren in te kunnen voeren of te wijzigen. Het cao-recht wordt van toepassing. Het cao-recht kent het beginsel van contractsvrijheid. Dat betekent dat sociale partners bij de overheid – binnen de gestelde kaders - vrij zijn in hun keuze waarover en met wie zij een cao sluiten.

Ambtelijke status blijft

Zoals gezegd, is het uitgangspunt van de Wnra om de arbeidsverhoudingen bij de overheid gelijk te schakelen aan de verhoudingen in het bedrijfsleven, behalve als er zwaarwegende argumenten zijn om dat niet te doen. Alleen dan zouden er voor ambtenaren afwijkende bepalingen moeten blijven bestaan. Als hoeder van het publieke belang is en blijft de overheid een bijzondere werkgever. Aan het werken voor de overheid worden bijzondere eisen gesteld. Om die reden voorziet de Wnra in een nieuwe Ambtenarenwet (de Ambtenarenwet 2017), waarin uitsluitend nog onderwerpen zijn opgenomen die direct verband houden met de ‘ambtelijke status’. Het gaat hierbij om bepalingen ten aanzien van de ambtseed, het integriteitsbeleid, het vervullen van vertrouwensfuncties, het melden van nevenfuncties en financiële belangen, het vervullen van vertrouwensfuncties en het beperken van bepaalde grondrechten.

Uitzonderingen

Een aantal groepen wordt uitgezonderd van de Wnra, om diverse en soms praktische redenen. Deze groepen gaan niet onder het private arbeidsrecht vallen, maar behouden hun publieke aanstelling. Het gaat om politieke ambtsdragers, leden van de Hoge Colleges van Staat[1], leden van adviescolleges[2] en zelfstandige bestuursorganen, de rechterlijke macht, alle defensieambtenaren, alle politieambtenaren, notarissen en gerechtsdeurwaarders.  

Het ministerie van BZK is hierbij verantwoordelijk voor:

  • het coördineren van de wetgevingsactiviteiten en het aanleveren van (eigen deel) aanpassingswetgeving;
  • het organiseren van het overleg met werkgeversorganisaties en centrales;
  • het informeren van de Tweede Kamer over de voortgang van de implementatie wnra;
  • het informeren van overheidswerkgevers over de Wnra via de website www.wnra.nl.

[1] Dit geldt niet voor de ambtenaren die werken bij de Hoge Colleges van Staat.

[2] Dit geldt niet voor de ambtenaren die werken bij de adviescolleges.