Privacy en Cookies

Voor een optimale werking plaatst deze website cookies op uw computer. Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag met behulp van Matomo Software. Deze informatie helpt ons bij het verbeteren van onze website. De cookies bevatten anonieme informatie (uw IP-adres wordt geanonimiseerd) en de logfiles worden maximaal een half jaar bewaard.

Naar de inhoud
U bevindt zich hier:

Decentralisaties in het sociaal domein

Afbeelding rapport Decentralisaties in het sociaal domein

Auteur(s): P. Besseling, J. Hers, K. Hoekstra, L. Lamers, I. Mosca en R. Okker

Centraal Planbureau

Rapport | September 2013 (40 pagina's)

Toelichting

Op verzoek van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Financiën en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft het CPB een globale inventarisatie gemaakt van de kansen en risico’s van de drie grote decentralisaties uit het Regeerakkoord: de Jeugdwet, de WMO 2015 en de Participatiewet. De belangrijkste kansen van de decentralisaties liggen op de volgende punten. In de eerste plaats zijn er in potentie belangrijke economies of scope; door de concentratie van uitvoeringstaken in het sociaal domein kunnen gemeenten het aanbod van voorzieningen gerichter laten aansluiten bij de vraag. En wordt afwenteling op aanpalende regelingen per saldo minder aantrekkelijk. In de tweede plaats worden de prikkels voor een doelmatige uitvoering sterker, omdat de gemeenten vanaf 2015 risicodragend worden. Risicodragende uitvoering vergt wel werkende budgetverdeelmodellen, die voor gemeenten onbeïnvloedbare verschillen in kosten zoveel mogelijk corrigeren. De belangrijkste risico’s hebben betrekking op: Decentrale uitvoering kan gepaard gaan met schaalnadelen in de uitvoering. Zo kent de huidige WMO naar verhouding hoge uitvoeringskosten. Schaalnadelen kunnen worden ondervangen door samen te werken op die activiteiten waar schaal belangrijk is (bijvoorbeeld back-office voor de feitelijke betaling van een uitkering) en af te spreken om processen landelijk te standaardiseren. Ten tweede kunnen er verschillen in kwaliteit en niveau van de voorzieningen tussen gemeenten ontstaan. Dat hoeft niet problematisch te zijn (het kan een uiting zijn van maatwerk).