Deze tentoonstelling is onderdeel van
Het geheugen van BZK op de
Kennisbank Openbaar Bestuur

Nota bestuurlijke organisatie

1969

In de Nota bestuurlijke organisatie constateerden minister Beernink en staatssecretaris Van Veen van Binnenlandse Zaken dat de territoria van gemeenten de samenlevingsverbanden niet meer dekten. Mensen werkten, woonden en recreƫerden in verschillende gemeenten. Bovendien werden veel gemeenten niet langer in staat geacht hun taken te verrichten en het voorzieningenniveau op peil te houden. Dit leidde tot de conclusie dat er behoefte was aan grotere eenheden van bestuur. Daarbij werden echter twee complicerende factoren genoemd. In de eerste plaats nam bij grotere eenheden de afstand tot de burger toe en lag technocratisering van het bestuur op de loer. Daarnaast verschilden de opgaven voor het lokaal bestuur van gebied tot gebied, waardoor het onmogelijk was een eenduidige optimale schaalgrootte te bepalen.

Rekening houdend met deze factoren, werd gekozen voor een procesmatige, uit het lokaal bestuur zelf voortkomende ontwikkeling naar gewestvorming door samenwerking of samenvoeging van gemeenten. De gewesten zouden een aantal gemeente-overschrijdende taken moeten overnemen. Alleen voor de noord- en zuidvleugel van de Randstad werd afgeweken van de bottom-up-benadering. De vorming van stadsgewesten rondom Amsterdam en Rotterdam werd gezien als een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid. De pogingen tot gewestvorming die op basis van deze nota werden ondernomen, bleken echter niet succesvol.

Minister Beernink

Minister Beernink van Binnenlandse Zaken (1967-1971)

Foto: Collectie Spaarnestad/Anefo/J. Evers

Documenten

Nota bestuurlijke organisatie