Deze tentoonstelling is onderdeel van
Het geheugen van BZK op de
Kennisbank Openbaar Bestuur

Wetsvoorstel tot afschaffing opkomstplicht bij verkiezingen

1969

De commissie adviseert de opkomstplicht af te schaffen, omdat deze niet langer nodig is omdat ‘de volwassenheid van de kiesgerechtigden zo groot is geworden, dat het belang van de verkiezingen ten volle wordt beseft’. Verder werd gesteld dat de plicht eerder afkeer opwekte, dan positief werkte. Er konden beter bewuste kiezers opkomen, dan gedwongen onverschilligen. Het was een taak voor de partijen om ervoor te zorgen dat er voldoende belangstelling zou zijn bij verkiezingen. Het wetsvoorstel wordt op 19 februari 1970 door de Tweede Kamer aangenomen. VVD en CHU waren sterk verdeeld. Het voorstel wordt met 91 tegen 15 stemmen aangenomen. De Eerste Kamer neemt het voorstel op 3 maart 1970 unaniem aan. Het gevolg van de afschaffing opkomstplicht is drie maanden later direct zichtbaar bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1970, waar de opkomst een sterke daling vertoont. In de verkiezingen die daarop volgen, blijft de opkomst verder dalen.

Jan Berger

Voorzitter van de adviescommissie

Document

Rapport commissie Berger (opkomstplicht)