Deze tentoonstelling is onderdeel van
Het geheugen van BZK op de
Kennisbank Openbaar Bestuur

Reacties op rapporten Algemene Rekenkamer

2007-2008

In 2007 ontstond opnieuw tumult rond de grote ICT-projecten. Aanleiding daarvan waren berichten in de media dat er miljarden verspild werden aan ICT-projecten van de overheid. De start van die berichtgeving was een publicatie in Trouw, waarin stond dat er per jaar door de overheid voor grote ICT-projecten voor 5 miljard euro aan belastinggeld werd verspild. Dit getal zou nog jarenlang, tot en met de commissie Elias, een eigen leven gaan leiden en werd nooit onderbouwd. De berichtgeving trok uiteraard ook de aandacht van de Tweede Kamer. Deze wijdde daaraan in 2007 een debat met minister ter Horst waarin alle elementen van de latere discussie zouden terugkomen: verspilling van overheidsgeld, geen zicht op welke projecten liepen en de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken voor de totale overheids-ICT. De Tweede Kamer vroeg om een onderzoek waaruit moest blijken wat er waar was van de berichten over verspilling. Dit werd vastgelegd in de motie Gerkens.

 

De Tweede Kamer had ook behoefte aan overzicht. Dit werd gevraagd in de motie Hessels. De motie Hessels leidde tot jaaroverzichten van grote ICT-projecten. De andere motie had nog meer gevolgen. In 2007 en 2008 heeft de Algemene Rekenkamer naar aanleiding van de motie Gerkens twee rapporten gepubliceerd over de problemen betreffende grote, ICT-intensieve projecten.

 

In het eerste rapport ‘Lessen uit ICT-projecten bij de overheid. Deel A’ wees de Algemene Rekenkamer op de combinatie van grote ambities en grote complexiteit, die de meeste projecten kenmerkten. De Algemene Rekenkamer noemde dit het gevolg van politieke, organisatorische en technische complexiteit. Bij deze te complexe projecten was er geen balans tussen ambitie, beschikbare mensen, middelen en tijd. Ook stelde de Algemene Rekenkamer dat de belangrijkste stakeholders – minister, Tweede Kamer en ICT-leveranciers – door de aard van hun belangen elkaar onderling stimuleerden om tot die ambitieuze en complexe projecten te komen. Verder stelde de Algemene Rekenkamer dat de Tweede Kamer vaak slecht geïnformeerd werd. Belangrijke informatie werd niet gepresenteerd en toegezegde voortgangsrapportages werden niet geleverd of waren te optimistisch van toon.

 

In de tweede publicatie uit 2008 ‘Lessen uit ICT-projecten bij de overheid. Deel B’ constateerde de Algemene Rekenkamer dat informatie over tijd, omvang, beschikbare mensen en kosten in de administraties van de onderzochte projecten niet altijd aanwezig was. Daarom konden geen uitspraak worden gedaan over de doelmatigheid en doeltreffendheid van uitgaven. Vooral over omvang ontbraken gegevens: het was daardoor nauwelijks bekend hoeveel inspanningen er nodig waren om een ICT-systeem te bouwen. Verder ontbrak informatie over kosten: er waren wel totaalbedragen, maar uit welke kostensoorten deze bedragen waren opgebouwd (materiaal, extern personeel, intern personeel, hard- en software en dergelijke) was niet altijd duidelijk. Om de kosten te bepalen was daarnaast de levensduur van een ICT-systeem belangrijk, maar hierover werd niets vastgelegd. Over de beschikbare mensen waren er vooral realisatiecijfers. Ook was er informatie over start- en einddata van projecten. Op de betrouwbaarheid van de gegevens viel, volgens de Algemene Rekenkamer, nog wel het nodige af te dingen. Zo was niet duidelijk wat als begin- en eindpunt van een project beschouwd moest worden. Bij ramingen van de kosten van ICT-projecten deed zich, volgens de Algemene Rekenkamer, het probleem voor dat deze in de aanloop van een project nog ‘zacht’ waren. Pas gaandeweg werden zij exacter en realistischer, namelijk als er meer duidelijkheid ontstond, onder meer door een nadere detaillering van het te bouwen systeem, ontwerp van de projectaanpak en een goed onderbouwde projectplanning.

 

Afgezien van deze beperkte hardheid van ramingen, die volgens de Algemene Rekenkamer inherent zijn aan ICT-projecten, trof het onderzoek ook andersoortige tekortkomingen van ramingen aan. Voorbeelden waren het buiten beschouwing laten van bepaalde kosten of essentiële informatie, het te optimistisch inschatten van bepaalde kosten, onvoldoende onderbouwing in de vorm van bijvoorbeeld detailramingen van deelprojecten, en het niet op elkaar aansluiten van (opeenvolgende) ramingen.

 

Uiteraard moest de minister van Binnenlandse Zaken reageren op deze kritiek. Dit gebeurde in 2008 in enkele brieven aan de Tweede Kamer. In een brief van 25 februari 2008 wijst minister ter Horst centrale verantwoordelijkheid voor het slagen van grote ICT-projecten af, maar benoemde wel een aantal maatregelen om het functioneren van de overheid te versterken. Voorbeelden waren de noodzaak van een startbrief waarin wordt beschreven welk probleem op welke wijze met het project wordt opgelost, versterking van de I-kolom binnen departementen en het werken onder architectuur.

 

In een tweede brief, van juni 2008, ging de minister nader in op die maatregelen. De minister stelde dat zij weliswaar systeemverantwoordelijkheid heeft maar dat de verantwoordelijkheid voor de grote ICT-projecten bij de vakministers bleef. In de brief wordt ook positief gesproken over de rol van een departementale CIO en ook wordt toegezegd dat een zogenoemde Gatewayorganisatie zal worden ingericht. Daarnaast werd voor elk project een projectplan verplicht gesteld, overigens zonder dat duidelijk wordt hoe dat eruit moest zien.

 

In een derde brief, van september 2008, werd met name ingegaan op een eerdere toezegging aan de Tweede Kamer dat deze regelmatig zou worden geïnformeerd over de voortgang van de grote ICT-projecten. De brief bevatte als bijlage een rapportagemodel waarin ook een beschrijving aan het projectplan wordt gegeven.

 

Samengevat bevatten de drie brieven informatie over:

  • de rol van de minister van Binnenlandse Zaken. Deze heeft een systeemverantwoordelijkheid met als speerpunten de kwaliteit van de aansturing van grote ICT-projecten en de kwaliteit van de inrichting van de I-kolom binnen departementen. Ministers blijven echter verantwoordelijk voor hun eigen projecten;
  • de inrichting van een CIO-stelsel met een Rijks CIO;
  • de inrichting van een Gatewayorganisatie die verantwoordelijk is voor reviews;
  • het zo veel mogelijk werken onder architectuur, zoals de Nederlandse OverheidsArchitectuur (NORA);
  • het jaarlijks aan de Tweede Kamer presenteren van een overzicht van alle grote lopende ICT-projecten, inclusief een beoordeling van hun voortgang.

 

Document(en)

Eerste kamerbrief

25 februari 2008

Tweede kamerbrief

26 juni 2008

Derde kamerbrief

23 september 2008

Lessen uit ICT-projecten bij de overheid deel A

Algemene Rekenkamer, 29 november 2007

Lessen uit ICT-projecten bij de overheid deel B

Algemene Rekenkamer, 1 juli 2008