Deze tentoonstelling is onderdeel van
Het geheugen van BZK op de
Kennisbank Openbaar Bestuur

Verklaring Nationaal Urgentieprogramma (NUP)

2006

Op 18 april 2006 werd een verklaring getekend in het Bestuurlijk overleg van rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. De verklaring had als titel ‘Betere dienstverlening, minder administratieve lasten met de elektronische overheid!’. Het was een uitvoeringsagenda die volgens de ondertekenaars gebaseerd was op de toekomstperspectieven uit de eerste Voortgangsrapportage Elektronische overheid, de Burger ServiceCode en het advies van de Commissie Jorritsma. Daarnaast werd gebruikgemaakt van de uitkomsten van de verschillende onderzoeken die waren uitgevoerd rond ‘absorptievermogen’ en ‘regie’ rond de Elektronische Overheid. Relevant was ook het advies van het Adviescollege Toetsing Administratieve Lasten (ACTAL) aan de ministers van EZ en BZK.

 

Voor de realisatie van de verbetering van de elektronische dienstverlening werden verschillende stappen onderscheiden: 

  • ontwikkeling van overheidsbreed bruikbare basisvoorzieningen;
  • de feitelijke realisatie van deze overheidsbreed bruikbare basisvoorzieningen;
  • de aansluiting van organisaties op deze basisvoorzieningen (‘uitrol’);
  • de toepassing van deze basisvoorzieningen in de dienstverlening;
  • beheer van de basisvoorzieningen.

Van belang waren ook een duidelijke prioriteitsvolgorde en heldere verantwoordelijkheden. Deze werden als volgt vastgelegd:

 

A) Ontwikkeling van de beoogde basisvoorzieningen is primair de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid. De rijksoverheid (departementen en uitvoeringsorganisaties) betrekken de andere overheden zo bij de ontwikkeling van deze basisvoorzieningen dat de andere overheden hierop te gelegener tijd eenvoudig kunnen aansluiten. Belangrijke partijen hierbij zijn de zogenoemde voorhoedegemeenten, die als voorlopers zowel kennis opbouwen van dergelijke voorzieningen op gemeentelijk niveau als een organisatie hebben waarin prototypes van basisvoorzieningen op de bruikbaarheid in de gemeentelijke situatie kunnen worden getest.

De hoogste prioriteit voor gemeenten ligt bij de feitelijke realisatie van de vier basisvoorzieningen die gemeenten beheren of uitgeven: het basisregister Gemeentelijke Basis Administratie en het Basisregister Adressen en Gebouwen, het Burgerservicenummer en de eNIK. De departementen verantwoordelijk voor deze voorzieningen ondersteunen de gemeenten bij deze realisatie en maken hierover afspraken met de VNG.

 

B) De volgende prioriteit voor gemeenten (tevens de hoogste voor provincies en waterschappen) ligt bij de aansluiting op de volgende basisvoorzieningen:

  • de basisregisters gemeentelijke basisadministratie, Nieuw Handelsregister, Basisregister, Adressen en Gebouwen, Eigendommen (Kadaster), Kaarten;
  • de authenticatievoorzieningen DigiD en in het verlengde daarvan eNIK;
  • de koppelingsnummers burgerservicenummer en Bedrijven en Instellingen Nummer;
  • het Bedrijvenloket, de e-formulierenvoorziening en het digitale omgevingsloket. 

 

C) Van de zijde van de rijksoverheid zullen de volgende zaken worden gerealiseerd:

  • de levering van diensten en informatie aan de telefonische verwijsfunctie voor de hele overheid (ter ondersteuning van deze verwijsfunctie die in het kader van gemeentelijke contactcenters bij gemeenten zal worden gerealiseerd);
  • de realisatie van één voorziening waarlangs andere overheden die dat wensen informatie kunnen putten uit basisregisters. 

 

Pas twee jaar later, in 2008, werden de voornemens uit de verklaring NUP verder geconcretiseerd.

Document(en)

Verklaring betere dienstverlening
Publieke dienstverlening - professionele gemeenten

Commissie Gemeentelijke Dienstverlening/Commissie Jorritsma