Privacy en Cookies

Voor een volledige werking plaatst deze website cookies op uw computer. Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics. Deze informatie helpt ons bij het verbeteren van onze website. De cookies bevatten anonieme informatie en blijven maximaal 2 jaar in uw browser aanwezig.

Naar de inhoud
Voormalig minister

Jan Pronk

"Het is moeilijk voor een minister die geen politieke ervaring heeft……de kamer benadert je anders als je één van hen bent geweest."

Geïnterviewd door Carla van Baalen en Roel Bekker / 01 december 2019

Scheveningen (gem. 's-Gravenhage), 16 maart 1940

Functies

Minister voor Ontwikkelingssamenwerking in het kabinet Den Uyl + Minister van Ontwikkelingssamenwerking in kabinet-Lubbers III + Minister van Ontwikkelingssamenwerking in kabinet-Kok I + Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu in kabinet-Kok II

Periode

Van 1973 tot 1977 en van 1989 tot 2002

In het interview komt Jan Pronk te spreken over zijn entree in de politiek, zijn bewondering voor Joop den Uyl en zijn goede relatie met Ruud Lubbers. Hij vertelt over zijn aanvankelijke wantrouwen richting zijn topambtenaar Jan Meijer en het nut voor een minister om kamerlid te zijn geweest. Pronk besluit het gesprek waar ook zijn rolopvatting uitgebreid ter sprake komt met een advies voor aankomend bewindslieden.

Doelstelling Ontwikkelingshulp

Gaf tijdens het kabinet-Den Uyl aan ontwikkelingshulp een politieke doelstelling: ontwikkelingshulp moest bijdragen aan herverdeling van macht en rijkdom in de wereld door hervorming van het internationale, economische en monetaire systeem. Centraal begrip daarbij was 'self-reliance'.

Handelsrelaties met ontwikkelingslanden

Bracht in 1975 samen met staatssecretaris Brinkhorst een wet tot stand tot goedkeuring van de op 28 februari 1975 tot stand gekomen ACS-EEG-overeenkomst van Lomé. Hiermee ratificeerde Nederland een overeenkomst over de handelsrelaties tussen de EG en 46 staten in Afrika, het Caraïbisch Gebied en de Stille Oceaan (ACSlanden).

1,5% norm

Tijdens zijn ministerschap kwam (in 1975) de Nederlandse ontwikkelingshulp op 1,5% van het Netto Nationaal Inkomen, een verdrievoudiging ten opzichte van de jaren daarvoor. Daardoor behoorde Nederland met Noorwegen en Zweden tot de enige landen die voldeden aan een door de VN gestelde norm.

Bilaterale ontwikkelingssamenwerking

Bracht in 1976 de Nota Bilaterale Ontwikkelingssamenwerking uit, waarin hij dit beleid nader uitwerkte.

Positieverbetering vrouwen

Bracht in 1976 samen met minister Van Doorn de Nota enige beleidsgevolgen voor Nederland van het internationaal jaar voor de vrouw uit. Zowel bij bilaterale ontwikkelingscontacten als in multilateraal verband komt er extra aandacht voor steun aan positieverbetering van de vrouw.

Uitbreiding concentratielanden

Breidde de groep van concentratielanden uit met Opper-Volta, Noord-Jemen, Sri Lanka, Jamaïca en Cuba.

Onafhankelijkheid Suriname

Speelde een belangrijke rol bij de besprekingen over onafhankelijkheid van Suriname. Als onderdeel van de onafhankelijkheidsverklaring kreeg Suriname f 3,5 miljard aan hulp. Op 25 november 1975 werd hierover in Paramaribo een verdrag gesloten.

Ontwikkelingssamenwerking met Suriname

Bracht in 1977 een wet tot stand inzake Goedkeuring van de op 25 november 1975 te Paramaribo tot stand gekomen overeenkomst met de Republiek Suriname betreffende ontwikkelingssamenwerking.

Toen ik in de auto zat op weg naar Jan Burger wist ik niet wat er van mij gevraagd zou worden. Ik hoopte op Ontwikkelingssamenwerking, mijn vak, mijn onderwerp en ik vreesde Volkshuisvesting.

Steun aan bevrijdingsbewegingen

Gaf tijdens zijn ministerschap in de jaren 1973-1977 steun aan de bevrijdingsbewegingen in Afrika (Angola, Mozambique, Namibië en Rhodesië)

Duurzame armoedebestrijding

Bracht in 1990 de Nota "Een wereld van verschil" uit. Hoofddoelstelling van het ontwikkelingsbeleid wordt duurzame armoedebestrijding.

Kritiek op Indonesië

Uitte in 1992 scherpe kritiek op het mensenrechtenbeleid van Indonesië wat tot een felle tegenreactie van Indonesië leidde en tot beëindiging van de ontwikkelingssamenwerking

Armoedebestrijding bij wijzigingen in Noord-Zuid verhoudingen

Bracht in 1993 de Nota "Een wereld in geschil uit". De nota gaat in op de grondige wijzigingen in de Noord-Zuidverhoudingen sinds 1989.

Samenwerkingsovereenkomst met Suriname

Bracht in 1994 samen met minister Kooijmans een wet tot stand inzake Goedkeuring van het op 18 juni 1992 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking tussen Nederland en Suriname. Deze overeenkomst werd gesloten na het herstel van de democratie in Suriname in 1991.

Oprichting IDEA

Bracht in 1997 een wet tot stand tot Goedkeuring van het op 27 februari 1995 te Stockholm tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van het IDEA (Internationaal Instituut voor democratie en verkiezingsondersteuning).

Rwanda-tribunaal

Bracht in 1997 de Wet bepalingen verband houdende met de instelling van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk voor genocide en andere ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht.

Het is zo moeilijk voor een minister die geen politieke ervaring heeft……de kamer benadert je ook anders als je één van hen bent geweest.

Uitvoeringsnota Klimaatbeleid

Bracht in 1999 als minister van VROM de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid uit. Uitgangspunt voor het Nederlandse klimaatbeleid wordt het bereiken van 6 procent reductie van emissie van broeikasgassen in de periode 2008-2012. Dit streven vloeit voort uit het in 1997 tot stand gekomen Kyoto-verdrag.

Stoffenbeleid

Bracht in 2001 de Strategienota "Omgaan met stoffen" (SOMS) uit. Daarin wordt de strategie uiteengezet voor het stoffenbeleid. Binnen één generatie moet verstandig, voorzichtig en met voorzorg worden omgegaan met stoffen, zodat veiligheid van mens en milieu is gewaarborgd.

Oprichting Ruimtelijk Planbureau

Stelde in 2001 het Ruimtelijk Planbureau in. Dit onafhankelijke instituut moet onder meer ruimtelijke effecten van maatschappelijke ontwikkelingen volgen en signaleren en beleidsvarianten en scenario's ontwikkelen.

Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening

Bracht in 2001 het kabinetsstandpunt inzake de PKB Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening uit. Hiermee wordt een grotere verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid bij provincies en gemeenten gelegd.

Mondiale aanpak Broeikasproblematiek

Wist als voorzitter van de vervolg-Klimaatconferentie in Bonn, juli 2001, een akkoord te bereiken over de uitwerking van het Verdrag van Kyoto over de mondiale aanpak van het broeikasprobleem.

Klimaatverandering

Bracht in 2002 de rijkswet Goedkeuring van het op 11 december 1997 te Kyoto tot stand gekomen Protocol het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering tot stand.

Achtergrond Jan Pronk

Jan Pronk groeide op als zoon van een hervormd onderwijzer en onderwijzeres. Hij studeerde Economische wetenschappen in Rotterdam. Na zijn afstuderen ging Pronk aan de slag als wetenschappelijk van het Nederlands Economisch Instituut. Hij was daar een medewerker van de econoom Jan Tinbergen. Bij de Tweede Kamerverkiezingen 1971 werd hij lid van het parlement. In 1973 was Pronk korte tijd lid van het Europees Parlement, toen nog samengesteld uit leden van de nationale parlementen. In mei 1973 trad hij als minister voor Ontwikkelingssamenwerking toe tot het kabinet-Den Uyl.

Bevlogen en vaak emotioneel betrokken PvdA-politicus, die gold als exponent van de linkervleugel van zijn partij. Zeer begaan met de problematiek van armoede in de wereld en deskundig op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking. Vooral tijdens het kabinet-Den Uyl mikpunt van kritiek vanwege de steun aan de bevrijdingsbewegingen in Afrika en aan Cuba. Na een periode in de Kamer en een functie bij de UNCTAD keerde hij terug in Den Haag. Als medeauteur van het rapport 'Schuivende Panelen' droeg hij bij aan een koerswijziging van de PvdA. Werd in 1989 wederom minister van Ontwikkelingssamenwerking. In het tweede kabinet-Kok minister van VROM. Kreeg veel waardering als voorzitter van de Wereldmilieuconferentie. Na de openbaarmaking van het NIOD-rapport over 'Srebrenica' op 10 april 2002 stelde Pronk in het openbaar dat hij als minister diende af te treden. Op 16 april trad het gehele kabinet af.

(Bron: Parlement.com)