Privacy en Cookies

Voor een volledige werking plaatst deze website cookies op uw computer. Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics. Deze informatie helpt ons bij het verbeteren van onze website. De cookies bevatten anonieme informatie en blijven maximaal 2 jaar in uw browser aanwezig.

Naar de inhoud
U bevindt zich hier:

Participatieve democratie in tijden van Corona

Column | april 2020, Boudewijn Steur, programmamanager Versterking Democratie en Bestuur bij het ministerie van BZK

Boudewijn Steur is programmamanager Versterking Democratie en Bestuur. In zijn democratische reflectie schrijft hij over de participatiesamenleving in tijden van corona. Want hoe neem je deel aan besluitvorming als je fysiek niet bij elkaar komt? Kun je dat dan digitaal gaan doen? Sluit je daarmee niet bepaalde groepen uit? Kortom, hoe belangrijk is de ruimtelijk-fysieke dimensie van de democratie? Blijft die op hetzelfde niveau?

In Nederland kennen we – naast onze vertegenwoordigende democratie – een bloeiende praktijk van allerlei participatieve vormen van democratie. Die participatie speelt in alle fasen van het beleidsproces. Participatie gaat van het betrekken van inwoners bij het opstellen van plannen tot aan het gemeenschappelijk uitvoeren van overheidstaken. Bij dat laatste kan het zelfs gaan om het volledig overnemen van overheidstaken, zoals dat speelt bij het uitdaagrecht (Right to Challenge). Na het uitbreken van de Coronacrisis leek het er even op dat veel van die burgerparticipatie even stil zou komen te liggen. Het perspectief was immers dat het normale leven snel weer opgepakt zou kunnen worden. Naarmate de tijd echter verstrijkt, nemen de zorgen over hoe wij in Nederland met die burgerparticipatie in tijden van Corona moeten omgaan, toe. Dat is niet vreemd. We hebben immers gezegd dat gedurende de crisis de democratie en het bestuur gewoon door moeten gaan. Dat geldt ook voor de betrokkenheid van inwoners.

De zorgen over burgerparticipatie in tijden van Corona spelen vooral op die terreinen waar burgerparticipatie als een verplicht onderdeel van het besluitvormingsproces wordt beschouwd. Het gaat dan bijvoorbeeld over vergunningverlening. Diverse projectontwikkelaars hebben het signaal al afgegeven dat gemeenten het verlenen van vergunningen vertragen met een beroep op het feit dat het betrekken van inwoners op dit moment niet goed mogelijk is. In het licht van de continuïteit van het bestuur is dit natuurlijk onwenselijk.

Veel publicaties wijzen op de mogelijkheid om – evenals de besluitvorming in volksvertegenwoordigingen – burgerparticipatie digitaal te doen. Zo gebruiken gemeenten bijvoorbeeld hun (vaak al) bestaande online burgerpanels vaker of gaan gemeenten plotseling aan de slag met digitale flitspanels. Maar het kan ook intensiever. De laatste jaren was er vanuit het ministerie van BZK veel geïnvesteerd in digitale participatie-instrumenten, zoals Open Stad en Consul. Dat zijn digitale platforms waar inwoners op diverse manieren betrokken kunnen worden in het beleidsproces. Deze digitale instrumenten komen door de Coronacrisis plotseling in een stroomversnelling.

De versnelling van digitale participatie zet wel echt aan tot nadenken. Het biedt zeker voordelen. Het is immers waarschijnlijk dat een nieuwe groep burgers aangesproken wordt om op deze manier betrokken te worden. Tevens bieden deze digitale vormen van participatie de mogelijkheid om – in ieder geval in potentie – veel meer mensen te bereiken. Maar er zijn ook nadelen. Mensen die digitaal niet mee kunnen doen, worden mogelijkerwijs uitgesloten. Ook wordt in veel publicaties gewezen op de vraag hoe betrouwbaar deze instrumenten zijn. Auteurs die daarop wijzen, benadrukken het belang om juist voor dit soort digitale participatie open source-software te gebruiken. Op die manier is transparant en controleerbaar wat deze software eigenlijk doet.

De Coronacrisis leidt bij mij ook tot het besef hoe belangrijk de ruimtelijk-fysieke dimensie van de democratie eigenlijk is. Ons wordt altijd het beeld voorgehouden dat democratie vooral iets taligs is, iets deliberatiefs. Maar we vergeten daarbij dat die deliberatie ook een belangrijk ruimtelijke aspect heeft. Dat democratische gesprek vindt immers plaats op een plek (een raadszaal, een wijkcentrum, een sportzaal) met mensen die elkaar kunnen zien. Uit de prachtige studie van Philp Manow (In the King’s shadow) weten we dat de manier waarop die ruimte is ingericht en de manier waarop mensen staan opgesteld, al bepalend kan zijn voor het gesprek dat plaatsvindt. Het is nu juist die ruimtelijk-fysieke dimensie die door deze Coronacrisis ontbreekt. Dat geldt voor onze vertegenwoordigende democratie, maar ook voor onze participatieve. Wat doet dat met de kwaliteit van de democratische discussie? Blijft die op hetzelfde niveau? Dat zijn mooie vragen voor het ministerie om zich over te buigen in de komende periode.

Een ander belangrijk aspect van participatieve democratie zijn de maatschappelijke initiatieven. Denk bijvoorbeeld aan een wijkcentrum dat in beheer van buurtbewoners is of een zwembad dat door de inwoners wordt gerund. Recentelijk hebben een aantal organisaties de noodklok geluid, omdat een aantal van die maatschappelijke initiatieven in financiële problemen (dreigen te) komen door de Coronacrisis. De inkomsten ebben weg, terwijl de kosten blijven. Dit is een serieus probleem en deze organisaties dreigen tussen wal en schip te raken. Die dreiging komt voort uit het feit dat we eigenlijk als samenleving geen goede definitie hebben voor wat deze maatschappelijke initiatieven nou eigenlijk zijn; het zijn geen bedrijven, geen vrijwilligersorganisaties, geen ZZP’ers. Hoe willen we hier mee omgaan? En wiens probleem is het? Moet het Rijk – en dan vooral BZK – met een oplossing komen of zijn het toch meer de gemeenten die aan zet zijn?

Toch zijn het niet alleen maar donkere wolken die zich samenpakken boven de participatieve democratie. De Duitse socioloog Klaus Dörre constateert dat mensen in deze crisis een herwaardering hebben voor wat belangrijk is: niet het profvoetbal, maar bakkers, verpleegsters en behulpzame buren blijken van waarde in deze crisis. Hij schetst het perspectief van een ‘Care-revolutie’, waarin de (kleinschalige) gemeenschap weer meer centraal komt te staan. Dat perspectief sluit natuurlijk aan bij de ontwikkeling van vóór de crisis naar een participatiesamenleving. Maar de verwezenlijking daarvan gaat niet vanzelf. Dat is mede afhankelijk van de keuzes die we na de crisis als samenleving zullen maken.